Innovatiesteun zou best meer naar beloftevolle starters gaan

17 september 2020

Annelore Van Hecke
Senior Macro Economist @Belfius


Véronique Goossens
Chief Economist @Belfius

Deel deze pagina:    

België is een sterke innovator. Het Europese Innovatiescorebord 2020 plaatst België maar liefst op plaats zes in de Europese Unie. Sterke punten zijn ons aantrekkelijke onderzoekstelsel, sterke universiteiten, en onze KMO’s die erg innovatief zijn en onderling goed samenwerken. De Belgische investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) liggen heel wat hoger dan het Europese gemiddelde. Met een investeringsniveau in O&O van zo’n 2,8% van het BBP in 2018 zijn we bovendien goed op weg om de Europese doelstelling van 3% van het BBP te behalen. Dat is goed nieuws voor onze economie, aangezien innovatie een belangrijke drijfveer van economische groei en toekomstige welvaart is.

Private investeringen in onderzoek en ontwikkeling worden sterk gestimuleerd door de overheid. Via het belastingstelsel, denk maar aan belastingkredieten voor O&O-investeringen in de vennootschapsbelasting of de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing op de lonen van onderzoekspersoneel. Daarnaast zijn er ook rechtstreekse subsidies, die een bevoegdheid zijn van de regionale overheden. België is na Frankrijk het meest genereus van alle OESO-landen wat de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling met overheidsgeld betreft. Gegeven de kostprijs van meer dan anderhalf miljard euro, is het dan ook belangrijk te weten of deze maatregelen effectief een sterke stimulans zijn voor de private investeringen.

Dat is precies wat onderzocht wordt in een aantal recente studies van het Planbureau en de Nationale Bank. Ook de Europese Commissie en de OESO formuleerden recent opmerkingen rond de overheidssteun voor innovatie in België. De conclusie is dat de steunmaatregelen werken, maar dat de doelmatigheid kan verbeterd worden.

Ten eerste zou de mix van maatregelen aangepast kunnen worden, aangezien uit onderzoek blijkt dat vooral de stimulans voor onderzoekspersoneel in de personenbelasting een aangetoond positief effect heeft, terwijl dat voor belastingaftrekken in de vennootschapsbelasting minder het geval is. En dat terwijl juist die belastingaftrekken de hoogste kostprijs hebben. Hier is een kostenbesparing mogelijk zonder de stimulans voor onderzoek en ontwikkeling te verminderen.

Ten tweede kan het rendement op publieke O&O-uitgaven verbeteren als de overheid ze meer richt op jonge bedrijven met een hoog groeipotentieel, die mogelijk de grootste winst halen uit overheidssteun. Jonge bedrijven maken vaak weinig winst waardoor ze minder kunnen profiteren van de aftrekken in de vennootschapsbelasting. Een verschuiving naar meer directe subsidiëring is een mogelijke oplossing. Daarnaast kan de overheid ook een bovengrens zetten op de belastingsteun via de vennootschapsbelasting, waardoor er financiële ruimte ontstaat om de steun voor jonge ondernemingen te vergroten.

Een aanpassing van de Belgische O&O-stimuli kan dus de effectiviteit verhogen, en tegelijk kostenbesparend zijn. Een goede coördinatie tussen de federale overheid (bevoegd voor belastingstimuli) en het regionale beleidsniveau (bevoegd voor directe 0&0-subsidies) is hierbij belangrijk.



Ontdek de Belfius Convictions


Ons dossier over Covid-19

Deel deze pagina: