Mogelijke risico's van beleggingsproducten

Definities van de risico’s verbonden aan de beleggingsproducten

  • Kredietrisico of het risico dat de uitgever zijn schuld niet meer kan terugbetalen.

    Daarom is de kwaliteit van de uitgever zeer belangrijk omdat hij de verantwoordelijkheid voor terugbetaling draagt. Een degelijke inschatting van dat risico is heel belangrijk, hoe slechter de financiële en economische toestand van de uitgever, hoe groter het risico dat men niet of slechts gedeeltelijk wordt terugbetaald. Uiteraard zal de intrest die een dergelijke uitgever biedt hoger liggen dan die welke een schuldenaar met een betere kwaliteit voor een gelijkaardig effect zou bieden. Een inschatting van dit risico kan ook voorgesteld worden aan de hand van de ‘rating’ die door onafhankelijke organen (bvb. Standard & Poors of Moody’s) berekend worden.

    Wat is een kredietrating?

  • Liquiditeitsrisico of het risico dat de belegger zijn geld niet kan opvragen vóór de vervaldag (indien er één is)

    De liquiditeit of verhandelbaarheid hangt af van het aantal verrichtingen op de markt waarop dit product verhandeld wordt; de koersen variëren meer op een krappe of niet liquide markt omwille van het feit dat één grote transactie een sterke koersschommeling tot gevolg kan hebben. Bijkomende factoren zijn de kosten bij uitstap en de tijd die nodig is om het geld terug te krijgen.

  • Wisselrisico of risico van een ongunstige evolutie van de vreemde munt waarin belegd wordt

    In het geval dat de vreemde munt niet gunstig geëvolueerd is tijdens de belegging zal bij omzetting in EURO het rendement afgeroomd worden, bij een gunstige evolutie daarentegen zal de belegging een rendement opleveren alsook een meerwaarde wegens de gunstige wisselkoers.

  • Renterisico of risico verbonden aan een wijziging van de marktrente

    Als een effect met vaste rente vóór de vervaldag verkocht wordt en dit op een ogenblik waarop de marktrente meer bedraagt dan de nominale rente van de obligatie zal een waardeverlies optreden, als de marktrente echter minder bedraagt, betekent dit een waardevermeerdering.

  • Volatiliteitsrisico of risico op neer- of opwaartse koersschommelingen

    Een effect met variabele opbrengst ondergaat een waardevermindering bij een koersdaling en een waardevermeerdering als de koers stijgt

  • Kapitaalsrisico of risico dat het ingelegd kapitaal niet volledig terugbetaald wordt

    Bij een effect zonder kapitaalbescherming is er een aanzienlijk risico dat het startkapitaal op de vervaldatum of op het ogenblik waarop de belegger uitstapt niet volledig terugbetaald wordt omdat deze afhankelijk is van de financiële en economische situatie van de onderneming.

  • Specifieke risico’s voor ICB’s

    • Marktrisico: risico waarbij de markt waartoe het fonds behoort in zijn geheel stijgt of daalt.
    • Concentratierisico: risico dat het fonds grote hoeveelheden effecten van één wel bepaalde markt in portefeuille heeft. Dit kan bij omvangrijke crisis leiden tot grote waardeverminderingen.
    • Flexibiliteitsrisico: risico dat van deze belegging niet soepel kan worden overgeschakeld naar andere beleggingen of naar andere aanbieders.
    • Inflatierisico: risico afhankelijk van de inflatie.
    • Externe risico’s : dit is de onzekerheid over de onveranderlijkheid van externe factoren zoals het belastingregime, oorlogen of natuurrampen.

Risicoklassen

  • 2 berekeningswijze van risico’s voor ICBs zullen vanaf 2012 naast elkaar bestaan. (= ICB - Instelling voor Collectieve Belegging)

    De BEAMA risicoklasse

    BEAMA, de Belgische Vereniging van Asset Managers en de FSMA, de autoriteit voor Financiële Diensten en Markten hebben samen een risicoclassificatiesysteem uitgewerkt dat een aanduiding moet geven van het risico dat verbonden is aan een belegging in een ICB of een compartiment van de ICB.

    Er bestaan 7 risicoklassen op een schaal van 0 tot 6 waarbij 0 op het kleinste risico en 6 op het grootste risico wijst. De risicoklasse kan in de loop van de tijd evolueren aangezien deze semestrieel berekend wordt.

    De risico's worden in klassen ingedeeld op basis van de berekening van de standaardafwijking – schommeling rond een gemiddelde - op jaarbasis van de rendementen tijdens de voorbije 5 jaar van het fonds of voor een minder lange periode indien het fonds nog geen 5 jaar bestaat. De betrokken rendementen worden berekend op basis van de netto-inventariswaarde van het fonds vastgesteld op maandelijkse basis en uitgedrukt in euro.

    Deze gestandaardiseerde rangschikking geeft een duidelijk zicht op het risico dat aan de verschillende fondsen verbonden is. Bovendien maakt het ook een vergelijking tussen de verschillende fondsen mogelijk. De risicoklasse is dus een hulpmiddel bij de keuze van een fonds.

    • klasse 0 : de standaardafwijking ligt tussen 0 en 2,5 %,
    • klasse 1 : de standaardafwijking > 2,5 % en ≤ 5 %,
    • klasse 2 : de standaardafwijking > 5 % ≤ 10 %,
    • klasse 3 : de standaardafwijking > 10 % en ≤ 15 %,
    • klasse 4 : de standaardafwijking > 15 % en ≤ 20 %,
    • klasse 5 : de standaardafwijking > 20 % en ≤ 30 %,
    • klasse 6 : de standaardafwijking > 30 %.

    UCITS IV risico- en opbrengstprofiel

    Door de nieuwe Europese UCITS IV-richtlijn zal voor alle fondsen met een Europees paspoort met een nieuwe risico-indicator moeten worden gewerkt.

    Vanaf 30.06.2012 moet voor een groot aantal fondsen een document essentiële beleggersinformatie ter vervanging van het vereenvoudigd prospectus zijn opgesteld, waarin deze nieuwe risico-indicator moet opgenomen worden.

    De schaal voor risicometing reikt niet langer van 0 tot 6, maar van 1 tot 7. Het gaat hier niet om een verandering van de risico-index, maar om een aanpassing van de schaal. De grenzen van elke risico-index worden dus in het document essentiële beleggersinformatie niet meer vastgelegd zoals in de vereenvoudige prospectus. Nu is risico 1 het kleinste risico – er is met andere woorden geen nulrisico meer – terwijl risico 7 wordt toegewezen aan de ICBE’s met het grootste risico.

    Voortaan dient de volatiliteit van de weekrendementen (of de maandrendementen als er geen weekrendementen voorhanden zijn) tijdens de voorbije vijf jaar als basis voor de berekening van het risico. De volatiliteit geeft immers aan in welke mate de waarde van het fonds in het verleden naar boven of naar beneden schommelde.

    Vervolgens worden voor elke klasse volatiliteitsintervallen bepaald:

    Risicoklasse Volatilteitsintervallen
    Gelijk aan of hoger dan Lager dan
    1 0 % 0,5 %
    2 0,5 % 2 %
    3 2 % 5 %
    4 5 % 10 %
    5 10% 15 %
    6 15 % 25 %
    7 25 %

    Hieronder vindt u een vergelijking tussen de oude en de nieuwe risicoklasse (synthetische risico-indicator benoemd)

    Zo gaat een fonds met een volatiliteit van 4 % van risiconiveau 1 naar 3, omdat de klassen met een laag risiconiveau kleinere grenzen hebben. In werkelijkheid verandert het effectieve risico van de belegging echter niet. Ter vergelijking: een fonds met een volatiliteit van 24 % gaat van risiconiveau 5 naar 6, doordat de schaal van 0 tot 6 verschoven is naar een schaal van 1 tot 7.

    De kwantificering van het risiconiveau gaat gepaard met een toelichting bij de synthetische risico-indicator en de belangrijkste limieten ervan. Hierbij vinden we onder meer een waarschuwing voor het feit dat de afgebeelde categorie in de tijd kan evolueren, maar ook voor het al dan niet beschermen van het kapitaal.

    Een aantal risico’s worden niet noodzakelijkerwijs op een adequate wijze door de synthetische risico-indicator bestreken. Als die belangrijk zijn zal de belegger door het document essentiële beleggersinformatie hiervan op de hoogte gebracht worden. Het gaat over het kredietrisico, liquiditeitsrisico, modelrisico, tegenpartijrisico en de risico’s verbonden aan opkomende landen:

    • Kredietrisico: het fonds loopt het risico dat een emittent in gebreke blijft zijn verplichtingen inzake couponbetaling en/of aflossing van het geleende bedrag na te komen.
    • Liquiditeitsrisico: het fonds mag beleggen in effecten en/of marktsegmenten die met name in bepaalde marktomstandigheden minder liquide kunnen blijken, met als gevolg dat effecten niet snel tegen redelijke prijzen kunnen worden afgewikkeld
    • Modelrisico: de effecten waaruit het fonds wordt samengesteld, worden hoofdzakelijk geselecteerd op basis van kwantitatieve modellen. Het risico bestaat dat die modellen minder doeltreffend blijken of zelfs leemten vertonen in specifieke marktomstandigheden.
    • Tegenpartijrisico: aangezien het fonds gebruik mag maken van derivaten die buiten de beurs (over-the- counter) worden verhandeld (OTC-derivaten), kan daardoor een tegenpartijrisico ontstaan (zijnde het onvermogen van de tegenpartij om haar verplichtingen jegens het fonds na te komen). Dit tegenpartijrisico kan zo nodig geheel of gedeeltelijk worden afgedekt door zekerheden te ontvangen
    • Risico's verbonden aan opkomende landen: opkomende landen kunnen te maken krijgen met politieke, juridische en fiscale onzekerheden of andere gebeurtenissen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de activa van het fonds. De activa die in deze groeilanden worden verhandeld, zijn niet alleen onderhevig aan marktbewegingen die elkaar in sneller tempo kunnen opvolgen dan in de grote internationale financiële centra, maar ook aan spreads in koersnotering die in bepaalde marktomstandigheden hoog kunnen oplopen. Deze activa kunnen minder liquide blijken, dat wil zeggen niet snel verkoopbaar tegen redelijke prijzen. De valutakoersen van opkomende landen kunnen onderhevig zijn aan plotse en aanzienlijke schommelingen.